ECLI:NL:CRVB:2014:3194
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van toepassing overgangsrecht bij cumulatie WAO- en WAZ-uitkeringen
Appellant ontvangt sinds 1991 een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Vanaf 1 januari 1998 is de AAW-uitkering voortgezet als een WAZ-uitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft appellant per brief geïnformeerd dat vanaf 1 januari 2011 de WAO-uitkering slechts wordt uitbetaald voor zover deze de WAZ-uitkering overtreft.
Appellant stelde bezwaar in tegen deze regeling en vorderde uitbetaling van zowel de volledige WAO- als de volledige WAZ-uitkering. Het Uwv wees dit bezwaar af, waarna appellant in beroep ging bij de rechtbank Leeuwarden, die het beroep ongegrond verklaarde. De rechtbank baseerde zich op het overgangsrecht zoals vastgelegd in artikel VII van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen en artikel 84a van de WAO, waarin anticumulatie van uitkeringen is geregeld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat hij op grond van een door het Uwv gedaan aanbod voor een vrijwillige WAO-verzekering naast de WAZ-uitkering recht heeft op cumulatie van beide uitkeringen. De Centrale Raad van Beroep volgt dit niet en bevestigt de toepassing van het wettelijke kader dat de WAO-uitkering beperkt tot het meerdere boven de WAZ-uitkering. Het hoger beroep wordt verworpen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de WAO-uitkering wordt beperkt tot het meerdere boven de WAZ-uitkering.