ECLI:NL:CRVB:2014:321
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als productiemedewerkster en viel uit wegens klachten aan haar rechterschouder, waarvoor zij een operatie onderging. Zij vroeg een WIA-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en achtte het verzekeringsgeneeskundige onderzoek juist en volledig. De eigen beleving van appellante en de door haar overgelegde fysiotherapeutische brief werden onvoldoende geacht om het oordeel te wijzigen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen ernstiger waren dan door het UWV vastgesteld en verzocht om een onafhankelijk medisch onderzoek. De Raad stelde vast dat de nieuwe medische stukken te laat waren ingediend en buiten beschouwing werden gelaten. Er was geen aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling van het UWV.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.