ECLI:NL:CRVB:2014:3210
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewet- en WIA-uitkering wegens niet vervulde wachttijd
Appellante ontving aanvankelijk een Ziektewetuitkering wegens rug- en nekklachten na ziekmelding in september 2011. Het UWV besloot in juni 2013 dat zij weer geschikt was voor haar arbeid en daarom geen recht meer had op Ziektewetuitkering. Tevens stelde het UWV vast dat appellante voor het einde van de wachttijd van 104 weken hersteld was, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen reden was te twijfelen aan de geschiktheid van appellante voor een van de geselecteerde functies. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met haar klachten, mede op grond van de richtlijn SOLK.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat het UWV een zorgvuldig onderzoek had verricht, waarbij ook medische gegevens van behandelaars waren betrokken. Appellante had geen nieuwe medische informatie overgelegd die haar ongeschiktheid vanaf 24 juni 2013 onderbouwde.
Gelet op het ontbreken van 104 weken arbeidsongeschiktheid werd het beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewet- en WIA-uitkering wegens niet vervulde wachttijd.