Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant en zijn werkgever sloten een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die later met wederzijds goedvinden werd beëindigd via een vaststellingsovereenkomst met een beëindigingsdatum van 19 augustus 2011. Na het faillissement van de werkgever en opzegging van de arbeidsovereenkomst door de curator, vroeg appellant een uitkering aan bij het UWV.
Het UWV kende een uitkering toe op basis van de vaststellingsovereenkomst, waarbij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst werd gesteld op 19 augustus 2011. Appellant stelde dat hij de vaststellingsovereenkomst buitengerechtelijk had vernietigd met een brief van 28 oktober 2011, maar deze brief had de werkgever niet bereikt.
De Raad oordeelde dat de vernietiging niet rechtsgeldig was omdat de brief niet was ontvangen door de werkgever en appellant niet had aangetoond dat het niet bereiken van de brief voor risico van de werkgever kwam. Daarom bleef de vaststellingsovereenkomst geldig en was het UWV terecht uitgegaan van de daarin genoemde beëindigingsdatum.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente werd afgewezen. De Centrale Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de vaststellingsovereenkomst niet rechtsgeldig is vernietigd en het UWV terecht uitging van de daarin genoemde beëindigingsdatum.