ECLI:NL:CRVB:2014:3233
Centrale Raad van Beroep
- Prejudiciële beslissing
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over AOW-rechten van Oostenrijkse zeevarenden en Unierechtelijke toepassing
Deze zaak betreft twee Oostenrijkse zeevarenden die in de jaren zestig voor de Holland-Amerika Lijn werkten en geen volledige AOW ontvingen omdat Oostenrijk toen nog geen EU-lid was. De Centrale Raad van Beroep vraagt het Hof van Justitie EU om prejudiciële uitleg over de toepassing van Europese regelgeving op hun AOW-rechten.
Betrokkene 1 en 2 werden uitgesloten van AOW-verzekering op grond van nationale bepalingen die vreemdelingen aan boord van Nederlandse schepen die aan boord wonen niet verzekeren. De rechtbank oordeelde dat deze uitsluiting in strijd is met het EVRM, maar de Raad concludeert dat er voor betrokkene 1 geen nauwe band met Nederland was en voor betrokkene 2 de toepassing van Unierecht relevant is.
De Raad analyseert uitgebreid de toepasselijkheid van Vo 1408/71, het VWEU en het EVRM, en stelt vragen over de uitleg van discriminatieverboden en overgangsbepalingen, met name over de situatie dat de nationaliteit van betrokkene pas na hun werkperiode lid werd van de EU. De behandeling wordt aangehouden tot het Hof uitspraak doet.
Uitkomst: De behandeling van de gedingen wordt aangehouden in afwachting van de prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie.