Appellant, geboren in 1942 op Kaapverdië, werkte van 1964 tot 1982 aan boord van Nederlandse zeeschepen en bezat aanvankelijk de Portugese nationaliteit. De SVB kende hem vanaf 2007 een AOW-pensioen toe, maar verklaarde hem niet verzekerd voor de periode 1964 tot 1968 vanwege het onderscheid in verzekeringsplicht naar nationaliteit in destijds geldende besluiten.
Na bezwaar en beroep wees de SVB een verzoek tot herziening af, omdat geen nieuwe feiten waren aangevoerd. De rechtbank bevestigde dit oordeel. In hoger beroep betwistte appellant dit standpunt en stelde dat het onderscheid naar nationaliteit onrechtvaardig was.
De Raad oordeelde dat het oorspronkelijke besluit van 2007 onherroepelijk was, maar dat het verzoek om terug te komen moest worden beoordeeld op nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, waarvan geen sprake was. Wel stelde de Raad vast dat het onderscheid naar nationaliteit in de oude besluiten destijds geoorloofd was, maar dat de doorwerking daarvan in het geval van appellant niet langer gerechtvaardigd is.
De Raad concludeerde dat appellant vanaf 1964 tot 1970 geen woonplaats aan de wal had en zich feitelijk in de Nederlandse rechtssfeer bevond, waardoor het onderscheid naar nationaliteit in zijn situatie niet meer acceptabel is. De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de SVB een nieuw besluit moet nemen, met vergoeding van proceskosten aan appellant.