ECLI:NL:CRVB:2014:3306
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering arbeidsondersteuning op grond van de Wet Wajong na hoofdletsel
Appellant, geboren in 1985, liep in 2002 ernstig hoofdletsel op na een overval, wat leidde tot visus- en concentratieproblemen. Hij werkte daarna tot 2004 onder begeleiding in aangepaste functies. In 2010 vroeg hij arbeidsondersteuning aan op grond van de Wet Wajong, maar het UWV wees dit af omdat hij meer dan 75% van het wettelijk minimumloon kon verdienen.
De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering en onderzoek, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep liet het UWV alsnog een medische en arbeidskundige beoordeling uitvoeren. De medische beoordeling toonde aan dat appellant op zijn achttiende verjaardag beperkingen had, maar niet zodanig dat hij niet kon werken. De arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant passende functies kon vervullen met een inkomen boven 75% van het maatmaninkomen.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht het maatmaninkomen op het minimumjeugdloon stelde en dat appellant onvoldoende bewijs leverde om dit te betwisten. De bezwaararbeidsdeskundige had de geschiktheid van functies adequaat toegelicht. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de rechtsgevolgen, wees de schadevergoeding af wegens gebrek aan onderbouwing, en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van arbeidsondersteuning op grond van de Wet Wajong en veroordeelt het UWV in de proceskosten.