ECLI:NL:CRVB:2014:3349
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering en herziening AOW wegens gezamenlijke huishouding
Appellant en appellante ontvingen respectievelijk een nabestaandenuitkering en een AOW-uitkering voor ongehuwden. Na een anonieme melding stelde de Sociale Verzekeringsbank (Svb) een onderzoek in waaruit bleek dat zij vanaf 1 januari 2008 gezamenlijk een huishouden voerden zonder dit te melden. De Svb herzag de uitkeringen en vorderde te veel betaalde bedragen terug.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. Appellanten stelden dat de ingangsdatum van de gezamenlijke huishouding onvoldoende was onderbouwd en dat zij hulpbehoevend waren, waardoor intrekking en herziening niet gerechtvaardigd zouden zijn. Tevens werd verwezen naar een wetsvoorstel over het begrip hoofdverblijf.
De Raad oordeelde dat de rechtbank de gezamenlijke huishouding terecht vanaf 1 januari 2009 had vastgesteld en dat appellanten niet voldeden aan het criterium van hulpbehoevendheid. Het beleid van de Svb was consistent toegepast en appellanten hadden redelijkerwijs moeten begrijpen dat samenwoning gevolgen had voor hun uitkeringen.
Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep de bestreden uitspraken en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en herziening van de uitkeringen wegens gezamenlijke huishouding zonder melding.