ECLI:NL:CRVB:2014:3390
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buiten behandeling stelling aanvraag bijstand wegens ontbreken bankafschriften
Appellant vroeg bijstand aan bij het UWV met ingang van 1 januari 1999. Het college verzocht hem om bankafschriften van de laatste drie maanden voor de aanvraag, maar appellant leverde niet alle gevraagde afschriften tijdig aan. Het college stelde de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 4:5 Awb Pro. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat niet alle bankafschriften nodig waren en dat de hersteltermijn onredelijk kort was. De Raad oordeelde dat inzage in bankafschriften noodzakelijk is voor beoordeling van bijstand en dat de termijn passend was. Appellant had redelijkerwijs over de gevraagde gegevens moeten beschikken en tijdig moeten overleggen of om verlenging vragen.
Ook het beroep op bijzondere omstandigheden faalde omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij niet over de gegevens kon beschikken. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag bijstand is terecht buiten behandeling gesteld wegens het niet tijdig overleggen van alle gevraagde bankafschriften.