ECLI:NL:CRVB:2014:3542
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant verzocht om een WIA-uitkering, maar het UWV stelde bij besluit van 15 april 2011 vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daardoor geen recht had op een uitkering. Dit besluit werd na bezwaar op 28 oktober 2011 gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door geen consult te vragen bij zijn behandelend psychiater en onvoldoende rekening te houden met zijn psychische en fysieke klachten, waaronder knieproblemen met mogelijke artrose. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant zowel lichamelijk als psychisch had onderzocht en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) een juist beeld gaf van zijn beperkingen. De door de psychiater aangeleverde informatie was summier en gaf weinig inzicht in de behandeling, en de GAF-score kon niet de door appellant gewenste betekenis krijgen.
Ook de knieklachten werden medisch beoordeeld en meegenomen in de FML. De Raad zag geen aanleiding tot benoeming van een deskundige en verwierp het hoger beroep. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.