Uitspraak
13 maart 2012, 11/1600 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft het hoger beroep tegen het besluit van de korpschef om betrokkene met ingang van 1 september 2010 eervol te ontslaan wegens ongeschiktheid tot arbeid door ziekte. De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het ontslagbesluit vernietigd wegens het ontbreken van een zorgvuldig herplaatsingsonderzoek zoals vereist in artikel 94, derde lid, aanhef en onder c, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. Uit het arbeidsdeskundig rapport bleek dat betrokkene ondanks ernstige beperkingen nog maximaal zestien uur per week arbeid kon verrichten, waardoor het verrichten van arbeid niet louter hypothetisch was. De korpschef had onvoldoende serieus onderzocht of binnen zijn gezagsbereik passende functies beschikbaar waren of passend gemaakt konden worden.
Na beëindiging van de stage als recherche-assistent in januari 2010 heeft de korpschef geen activiteiten meer ondernomen gericht op interne herplaatsing. Het re-integratietraject kon het vereiste herplaatsingsonderzoek niet vervangen. De Raad oordeelt dat artikel 94, derde lid, aanhef en onder c, van het Barp het ontslag in de weg stond.
De Raad veroordeelt de korpschef in de proceskosten van betrokkene en heft griffierecht. Het hoger beroep van de korpschef wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het ontslagbesluit wordt vernietigd wegens onvoldoende herplaatsingsonderzoek en het hoger beroep van de korpschef wordt afgewezen.