Appellant ontving vanaf 2001 een WAO-uitkering en vanaf 2003 een toeslag daarop. Naar aanleiding van een anonieme melding over niet gemelde inkomsten uit handel in oud ijzer heeft het UWV onderzoek gedaan. Op basis van verklaringen van een directeur en administratie van het bedrijf waaraan appellant oud ijzer verkocht, concludeerde het UWV dat appellant inkomsten had genoten die niet waren opgegeven.
Het UWV vorderde terugbetaling van onverschuldigd betaalde uitkeringen over de periode 2006-2009. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij slechts zijn zoons hielp en betwistte de betrouwbaarheid van de verklaringen en administratie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV aannemelijk heeft gemaakt dat appellant inkomsten uit de handel heeft verkregen en dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door dit niet te melden. De Raad vernietigt eerdere uitspraken vanwege procedurele fouten en verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond. De besluiten van 12 december 2011 blijven in stand en het UWV mag het bedrag van bijna €60.000 terugvorderen. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.