ECLI:NL:CRVB:2014:3726
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en herziening bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Betrokkene 1 en betrokkene 2 ontvingen bijstand op grond van de WWB, ieder aanvankelijk naar de norm voor alleenstaanden. Uit onderzoek van de gemeente Rotterdam bleek dat zij mogelijk een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres, ondanks dat betrokkene 2 op een ander adres was ingeschreven.
De gemeente trok daarop de bijstand in en herzag eerdere bijstandsuitkeringen naar de norm voor gehuwden, met terugvordering van ten onrechte ontvangen bedragen. De rechtbank oordeelde echter dat niet aannemelijk was dat betrokkene 1 en 2 gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres, en vernietigde de besluiten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders en stelt dat de onderzoeksbevindingen, waaronder verklaringen van betrokkene 1, huisbezoeken, getuigenverklaringen van buurtbewoners en politiegegevens, voldoende bewijs vormen dat betrokkene 1 en 2 een gezamenlijke huishouding voerden. Betrokkene 2 had een sleutel, verbleef regelmatig op het uitkeringsadres en er werden persoonlijke spullen van hem aangetroffen.
Omdat betrokkene 1 en 2 in strijd met hun inlichtingenplicht geen melding maakten van hun gezamenlijke huishouding, was de gemeente bevoegd de bijstand in te trekken, te herzien en terug te vorderen. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de beroepen ongegrond verklaard.
Uitkomst: De intrekking en herziening van de bijstand worden bevestigd en de beroepen van betrokkenen worden ongegrond verklaard.