ECLI:NL:CRVB:2014:3764
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens niet-naleving oproepen ondanks detentie
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en werd uitgenodigd voor een gesprek en het overleggen van bewijsstukken. Hij verscheen niet en reageerde niet op de uitnodigingen. Het college schortte de bijstand op en trok deze later in op grond van artikel 54 WWB Pro.
Appellant voerde hoger beroep aan met het verweer dat hij gegijzeld was en in vervangende hechtenis zat, waardoor hij niet kon reageren. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet voor zijn post kon zorgen, temeer daar zijn dochter in zijn woning verbleef tijdens zijn detentie.
De Raad stelde vast dat appellant redelijkerwijs tijdig op de hoogte had kunnen zijn van de oproepen en dat hij het college niet tijdig heeft geïnformeerd over zijn vrijheidsontneming, wat een wettelijke verplichting is. Daarom kon het college de bijstand terecht intrekken.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet tijdig op oproepen heeft gereageerd ondanks zijn detentie.