Appellant ontving sinds 2012 bijstand op grond van de Participatiewet. Het college schortte het recht op bijstand op wegens het niet verstrekken van gevraagde bankgegevens en introk het recht op bijstand vanaf februari 2019. Tevens werd een aanvraag afgewezen omdat appellant niet alle gevraagde informatie over bankrekeningen en verblijf in het buitenland verstrekte.
Het college trok ook de bijstand over de periode van 2012 tot februari 2019 in en vorderde de kosten terug wegens schending van de inlichtingenverplichting. Appellant stelde zich op het standpunt dat hij niet aan zijn verplichtingen kon voldoen vanwege psychische problemen en dat de hersteltermijn te kort was.
De Raad oordeelt dat de intrekking na opschorting terecht was omdat appellant niet binnen de gestelde termijn de gevraagde gegevens verstrekte en hem dit verwijtbaar is. De afwijzing van de aanvraag is ook terecht omdat appellant onvoldoende inzicht gaf in zijn financiële situatie. De intrekking over de periode 2012 tot 2019 is grotendeels terecht, behalve over de periode 28 januari 2012 tot 2 oktober 2013, waar het college erkende dat geen grondslag bestond.
De Raad vernietigt het besluit tot intrekking en terugvordering over deze periode en herroept het besluit van 30 augustus 2019 voor dit deel. Het college moet een nieuwe terugvordering berekenen voor de resterende periode en een nieuwe beslissing nemen. Voor het overige bevestigt de Raad de aangevallen uitspraak en veroordeelt het college in de kosten van appellant.