ECLI:NL:CRVB:2014:3840
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.S. van der Kolk
- A.I. van der Kris
- C.J.W. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering en terugvordering voorschotten met belangenafweging
Appellant, werkzaam als tramschoonmaker, viel na een bedrijfsongeval uit wegens hand- en rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV kende hem voorschotten toe, maar stelde later vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op WIA-uitkering bestond. Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing en tegen de terugvordering van de voorschotten.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de weigering van de uitkering ongegrond en oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordeling zorgvuldig en deugdelijke gronden had. Ook de terugvordering van voorschotten werd bevestigd, waarbij het UWV stelde dat terugvordering verplicht was.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat geen sprake was van een verboden reformatio in peius en dat de medische en arbeidskundige gronden voldoende waren. Wel vernietigde de Raad het besluit tot terugvordering omdat geen belangenafweging had plaatsgevonden, zoals vereist op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Het UWV had het beleid nader gemotiveerd en de Raad vond dat het UWV binnen redelijke beleidsgrenzen bleef. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit bleven in stand. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Weigering WIA-uitkering bevestigd; terugvordering voorschotten vernietigd wegens ontbreken belangenafweging, rechtsgevolgen blijven in stand.