ECLI:NL:CRVB:2014:3879
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onjuiste gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand over verschillende periodes, waarvan intrekking en terugvordering werden bevolen omdat zij een gezamenlijke huishouding zou voeren met [naam 1] zonder dit te melden. De Raad onderzocht de feiten, waaronder verklaringen, dossieronderzoek en observaties.
De Raad oordeelde dat appellante van 24 december 2000 tot 3 april 2003 wel een gezamenlijke huishouding voerde, maar dat voor de periode van 22 mei 2007 tot 1 mei 2010 onvoldoende bewijs was voor een gezamenlijke huishouding. Vanaf 1 mei 2010 was er wel sprake van gezamenlijke huishouding. De intrekking en terugvordering over de periode 22 mei 2007 tot 1 mei 2010 werden daarom vernietigd.
De Raad herroept het eerdere besluit en vervangt dit door de uitspraak. Het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen over de terugvordering, waarbij terugvordering over 24 december 2000 tot 31 december 2001 achterwege blijft en niet bevoegd is tot terugvordering over 22 mei 2007 tot 1 mei 2010. Tevens moet het college een beslissing nemen over vergoeding van renteschade indien terugvordering reeds heeft plaatsgevonden.
De Raad veroordeelt het college in de proceskosten en vergoedt het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 25 november 2014.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over 22 mei 2007 tot 1 mei 2010 wordt vernietigd.