ECLI:NL:CRVB:2014:3985
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling giften bij bijstandsverlening en rechtmatigheid besluitvorming
In deze zaak staat de vraag centraal of twee giften van in totaal €3.250,- die appellanten ontvingen in 2010 in mindering mogen worden gebracht op hun bijstandsuitkering. De Raad had eerder een tussenuitspraak gedaan waarin het dagelijks bestuur werd opgedragen het besluit te herzien en te bepalen in hoeverre de giften als inkomsten konden worden aangemerkt.
Het dagelijks bestuur stelde dat de giften geen specifieke bestemming hadden en daarom gebruikt konden worden voor de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan. Hierdoor zou het bestedingsniveau van appellanten hoger zijn dan het bijstandsniveau, wat onverenigbaar is met het recht op bijstand. Over februari 2010 werd daarom geen recht op bijstand toegekend en over maart 2010 werd €750,- in mindering gebracht.
Appellanten voerden aan dat zij geen bijstand ontvingen in de periode van de giften en dat de giften niet tot een overschrijding van het bijstandsniveau zouden leiden. Dit werd verworpen omdat vaststond dat bijstand werd verleend vanaf 23 december 2009 en de giften vrij besteed konden worden. Ook het verweer dat de giften als vermogen niet tot overschrijding zouden leiden, faalde omdat de giften als inkomsten moesten worden aangemerkt.
De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de giften uit het oogpunt van bijstandsverlening niet verantwoord waren. Het beroep tegen het besluit van 30 augustus 2012 werd gegrond verklaard en vernietigd, terwijl het beroep tegen het besluit van 24 maart 2014 ongegrond werd verklaard. Het dagelijks bestuur werd veroordeeld in de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 30 augustus 2012 wordt gegrond verklaard en vernietigd, het beroep tegen het besluit van 24 maart 2014 wordt ongegrond verklaard en het dagelijks bestuur wordt veroordeeld in proceskosten.