ECLI:NL:CRVB:2014:3988
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling korting bijstandsuitkering wegens arbeidsinkomsten en vrijlating daarvan
Appellante ontvangt sinds april 2011 bijstand en kreeg in december 2012 een korting op haar uitkering wegens inkomsten uit arbeid. Het college hield een bedrag in op de bijstand omdat zij een tijdelijk oproepcontract had dat per 1 januari 2013 eindigde. Appellante maakte bezwaar tegen de inhouding en het niet vrijlaten van een deel van haar inkomsten.
De rechtbank verklaarde het bezwaar deels gegrond en vernietigde het besluit alleen voor de afwijzing van een kostenvergoeding. Het college handhaafde het standpunt dat appellante niet in aanmerking kwam voor vrijlating van inkomsten, omdat de werkzaamheden niet leidden tot volledige uitstroom uit de bijstand.
In hoger beroep stelde appellante dat de gemeentelijke verordening die deze eis stelt, niet in overeenstemming is met de WWB. De Raad oordeelde dat de gemeenteraad met artikel 14 van Pro de verordening zijn verordenende bevoegdheid overschreed en dat deze bepaling buiten toepassing blijft. Desondanks was het college redelijk in zijn oordeel dat de vrijlating niet bijdroeg aan arbeidsinschakeling, gezien het tijdelijke karakter van het contract en het feit dat in januari 2013 geen inkomen meer werd genoten.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om vergoeding van schade af. Het verzoek om uitstel van de zitting werd eveneens afgewezen omdat geen uitzonderlijke omstandigheden waren aangetoond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het college mag de vrijlating van inkomsten bij de bijstand handhaven.