ECLI:NL:CRVB:2014:4000
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I. Korte
- J.F. Bandringa
- E.C.R. Schut
- Rechtspraak.nl
Bezit van onroerend goed in buitenland leidt tot intrekking en terugvordering bijstand
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) van december 2010 tot november 2011. Uit onderzoek bleek dat gedurende deze periode twee winkelpanden in Turkije op zijn naam stonden geregistreerd, met een waarde van circa €50.000. Appellant verklaarde niet op de hoogte te zijn van dit bezit en stelde dat zijn broer, aan wie hij een volmacht had gegeven, het eigendom zonder zijn medeweten had overgedragen.
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bijstand in en vorderde de kosten terug wegens het niet melden van dit vermogen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de registratie in het officiële kadaster een gerechtvaardigde vooronderstelling schept dat appellant redelijkerwijs over het vermogen kon beschikken.
Appellant slaagde er niet in met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij niet over de winkelpanden kon beschikken. De enkele stelling van misbruik van volmacht door zijn broer was onvoldoende, mede omdat overdracht van onroerend goed onder Turks recht meer vereist. Ook de overdracht aan zijn echtgenote in januari 2012, waarvan appellant op de hoogte was, onderbouwde dit oordeel. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.