ECLI:NL:CRVB:2011:BP0817
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- O.L.H.W.I. Korte
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens bezit onroerend goed in buitenland en schending inlichtingenplicht
Appellanten ontvingen sinds 1990 bijstand, die in 2007 werd ingetrokken vanwege het bezit van onroerend goed in Marokko. Een onderzoek door het IBF en de Nederlandse ambassade bracht aan het licht dat appellant mede-eigenaar was van een stuk grond en een flat, wat niet was opgegeven.
Appellanten stelden dat een deel van het onroerend goed niet tot hun vermogen behoorde, maar konden dit niet aannemelijk maken. Ook werd geoordeeld dat zij hun inlichtingenplicht hadden geschonden door het bezit niet te melden.
De rechtbank vernietigde het besluit tot intrekking, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak en verwierp het hoger beroep, waarbij ook argumenten over leningen en auto’s niet tot een ander oordeel leidden.
De Raad oordeelde dat het recht op bijstand terecht was ingetrokken en dat het vermogen van appellanten gedurende de periode het vrij te laten vermogen overschreed. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering worden bevestigd vanwege het bezit van onroerend goed in het buitenland en schending van de inlichtingenplicht.