ECLI:NL:CRVB:2014:4034
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herroeping intrekking en terugvordering bijstand wegens onjuiste vermogensvaststelling
De zaak betreft een hoger beroep van appellante tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot intrekking en terugvordering van bijstand op grond van overschrijding van de vermogensgrens. De Raad had in een tussenuitspraak geoordeeld dat het college onvoldoende bewijs had geleverd dat appellante sinds 1 januari 2006 eigenaar was van een woning in Marokko en had het college opgedragen nader onderzoek te verrichten.
Het college voerde daarop een nieuw onderzoek uit via het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade in Rabat, waarbij werd vastgesteld dat appellante en een derde sinds circa vier à vijf jaar eigenaar waren van de woning. Appellante weigerde echter medewerking aan verder onderzoek. Het college handhaafde daarop de besluiten tot intrekking en terugvordering.
De Raad oordeelt dat het rapport van het onderzoek voldoende grondslag biedt voor eigendom vanaf 1 januari 2007, maar niet voor de periode vanaf 1 januari 2006. De stelling van appellante dat het onderzoek onzorgvuldig was, wordt verworpen. De Raad vernietigt daarom het besluit voor de periode van 1 september 2006 tot 1 januari 2007 en draagt het college op opnieuw te beslissen over de terugvordering, waarbij alleen de kosten over de vastgestelde periodes mogen worden teruggevorderd.
Daarnaast veroordeelt de Raad het college in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 2 december 2014.
Uitkomst: De intrekking van bijstand over de periode van 1 september 2006 tot 1 januari 2007 wordt vernietigd en het college moet opnieuw beslissen over de terugvordering.