Uitspraak
10 juli 2013, 13/2515, 13/2516 en 13/2517 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante kreeg haar WW-uitkering meerdere malen verlaagd vanwege het niet voldoen aan de sollicitatieverplichtingen zoals vastgelegd in de Werkloosheidswet (WW). Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde dat de door appellante overgelegde sollicitaties onvoldoende concreet en verifieerbaar waren. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij wel voldoende had gesolliciteerd en dat zij op basis van een brief van het Uwv mocht vertrouwen dat zij niet gesanctioneerd zou worden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de overgelegde sollicitaties niet controleerbaar waren, omdat appellante niet kon aantonen aan wie de sollicitaties waren gericht en geen ontvangstbevestigingen kon overleggen.
Verder werd vastgesteld dat appellante op de hoogte was van de wijze waarop zij haar sollicitaties moest aantonen en dat het niet registreren van sollicitaties via werk.nl voor haar rekening kwam. Het beroep werd afgewezen omdat appellante haar sollicitatieverplichtingen niet had nageleefd en er geen sprake was van gerechtvaardigd vertrouwen dat geen maatregel zou volgen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitaties wordt bevestigd en het hoger beroep afgewezen.