ECLI:NL:CRVB:2014:4292
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.J.A. Kooijman
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid in en door de dienst bij Buitengewoon Opsporingsambtenaar
Appellant was werkzaam als Buitengewoon Opsporingsambtenaar bij de gemeente Amsterdam en raakte arbeidsongeschikt na een mishandelingsincident in 2006. Hij stelde dat zijn arbeidsongeschiktheid het gevolg was van buitensporige omstandigheden in zijn werk en dat het college onvoldoende nazorg had geboden.
Het college had de bezoldiging wegens arbeidsongeschiktheid vastgesteld en de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de vaststellingsovereenkomst over eerdere incidenten niet in de beoordeling kon worden betrokken en dat het incident van 3 juli 2007 inherent was aan de functie en geen buitensporig karakter droeg. Ook het ontbreken van agressietraining en het intrekken van de opsporingsbevoegdheid werden onvoldoende geacht om van buitensporige werkomstandigheden te spreken.
De Raad concludeerde dat ondanks de spanningen en het gebrek aan nazorg, de werkomstandigheden objectief niet als buitensporig konden worden aangemerkt. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het college blijft in stand.