ECLI:NL:CRVB:2014:4318
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1997 bijstand als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een anonieme melding dat zij samenwoonde met appellant, startte de gemeente Apeldoorn een onderzoek. Dit leidde tot besluiten tot intrekking van de bijstand en terugvordering van ruim €217.000, omdat appellante niet had gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voerde.
De rechtbank oordeelde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding vanaf 1 juli 1997, omdat appellant zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Appellanten voerden hoger beroep en betwistten de samenwoning in de periode 1997-2006. De Raad toetste dit aan de hand van feiten, waaronder verklaringen van appellante, het rapport van de sociale recherche en de wettelijke definitie van gezamenlijke huishouding.
De Raad concludeerde dat de verklaringen van appellante betrouwbaar waren ondanks haar psychische kwetsbaarheid en laaggeletterdheid. Ook het tijdelijk verblijf van appellant in het buitenland wegens werk veranderde niets aan zijn hoofdverblijf. De Raad bevestigde daarom dat appellante als gehuwd moest worden aangemerkt en geen recht had op bijstand als alleenstaande ouder. De intrekking en terugvordering waren terecht, en het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante vanaf 1 juli 1997 een gezamenlijke huishouding voerde en de bijstand terecht is ingetrokken en teruggevorderd.