ECLI:NL:CRVB:2014:4394
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag dwangsom bij uitblijven besluit arbeidsongeschiktheid Wajong
Appellant heeft op 22 januari 2009 een Wajong-uitkering aangevraagd met ingang van 1 oktober 2007. Het UWV wees deze aanvraag op 20 mei 2009 af omdat appellant niet voldeed aan de studeerperiode-eis. Hiertegen werd bezwaar en beroep ingesteld. Tijdens de lopende procedure verzocht appellant op 11 april 2010 alsnog een beslissing te nemen over zijn arbeidsongeschiktheid op de dag dat hij 17 jaar werd. Het UWV reageerde niet tijdig, waarna appellant het UWV in gebreke stelde en een dwangsom vorderde.
Het UWV weigerde de dwangsom te betalen omdat de brief van 11 april 2010 niet als een zelfstandige aanvraag kon worden aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de brief een herhaling was van eerder aangevoerde argumenten binnen de lopende procedure en dus geen nieuwe aanvraag in de zin van de Awb.
Daarmee was het UWV niet in gebreke en verbeurde het geen dwangsom. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV is geen dwangsom verschuldigd.