ECLI:NL:CRVB:2014:460
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herstel recht op bijstand na onterechte intrekking wegens onduidelijke woonsituatie
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam trok deze bijstand in omdat zij niet had gemeld dat een ander persoon zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Het college stelde dat hierdoor de woonsituatie onduidelijk was en het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen de intrekking ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college onvoldoende had onderzocht of sprake was van een gezamenlijke huishouding en dat de bewijslast bij het college lag. De Raad stelde vast dat appellante recht had op bijstand als alleenstaande ouder met een toeslag van 10% vanaf 1 februari 2011.
De Raad vernietigde het besluit van 14 juni 2011 voor zover het de intrekking betrof, herroept het intrekkingsbesluit van 15 februari 2011 en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. Hiermee werd het recht op bijstand hersteld en verduidelijkt dat het college niet zonder voldoende bewijs het recht op bijstand kan intrekken.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd en appellante krijgt met ingang van 1 februari 2011 recht op bijstand met toeslag.