ECLI:NL:CRVB:2014:636
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep oordeelt over recht op WW-uitkering bij overgang onderneming en faillissement
Appellanten waren werknemers van een onderneming die failliet ging. Hun dienstverband eindigde voordat het faillissement werd uitgesproken. Het UWV weigerde hen WW-uitkering toe te kennen omdat zij volgens het UWV niet in de uitzonderingssituatie van artikel 62, eerste lid, onder a, van de WW verkeerden.
De Raad stelde vast dat dezelfde financiële omstandigheden die leidden tot het faillissement ook de reden waren voor het beëindigen van de dienstverbanden. Dit betekent dat er sprake is van een duidelijke samenhang zoals bedoeld in artikel 62 WW Pro, waardoor appellanten recht hebben op uitkering.
Het UWV moest de besluiten herzien en nieuwe berekeningen maken voor de hoogte en duur van de uitkering. De Raad kon zelf niet in de zaak voorzien en gaf een tweede tussenuitspraak. De uitspraak benadrukt de bescherming van werknemers bij overgang van onderneming en faillissement en de toepassing van relevante EU-richtlijnen.
De Raad concludeerde dat het UWV ten onrechte de uitkeringen had geweigerd en droeg het UWV op binnen zes weken de besluiten te herstellen met inachtneming van de overwegingen.
Uitkomst: Appellanten hebben recht op WW-uitkering wegens duidelijke samenhang tussen beëindiging dienstverband en faillissement; UWV moet besluiten herzien.