ECLI:NL:CRVB:2013:CA4027
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over gebrekkige motivering en overgang van onderneming in WW-uitkeringszaak
Appellanten, voormalige werknemers van een failliete onderneming, vorderden een WW-uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) nadat zij in dienst traden bij een andere BV die de activiteiten van de failliete onderneming voortzette. Het UWV weigerde de uitkeringen, stellende dat sprake was van overgang van onderneming en dat de nieuwe BV gehouden was tot betaling van het loon.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, oordeelde dat het UWV terecht had vastgesteld dat sprake was van overgang van onderneming en dat appellanten geen hoorzitting wensten. Appellanten betwistten deze conclusies in hoger beroep, onder meer over de feitelijke overgang, de hoorplicht en het gelijkheidsbeginsel.
De Raad constateert dat het UWV de hoorplicht heeft geschonden door appellanten onvoldoende gelegenheid te geven zich uit te spreken over een hoorzitting. Verder bevestigt de Raad dat de overgang van onderneming heeft plaatsgevonden op 10 juni 2010, waarbij de activiteiten en het personeel van de failliete BV zijn overgegaan op de nieuwe BV.
De Raad stelt dat de motivering van de besluiten onvoldoende is omdat niet duidelijk is op welke wettelijke bepalingen, mede rekening houdend met de Insolventierichtlijn, de weigering van uitkeringen is gebaseerd. Daarom beveelt de Raad het UWV aan binnen twaalf weken de motivering te herstellen en appellanten in de gelegenheid te stellen hierop te reageren.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep draagt het UWV op binnen twaalf weken de gebrekkige motivering van de besluiten te herstellen.