ECLI:NL:CRVB:2014:71
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering kinderbijslag wegens onvoldoende levensonderhoudsbijdrage na uithuisplaatsing
Betrokkene ontving kinderbijslag voor zijn drie kinderen tot hun uithuisplaatsing in september 2008. Na melding van de uithuisplaatsing in mei 2010 startte de Sociale Verzekeringsbank (Svb) een onderzoek naar de bijdrage van betrokkene in het levensonderhoud van de kinderen. De Svb concludeerde dat betrokkene niet voldaan had aan de minimumeis van € 408 per kind per kwartaal vanaf het derde kwartaal 2008, waarna zij de kinderbijslag terugvorderde en een boete oplegde.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene tegen de herziening van kinderbijslag ongegrond, maar matigde de boete. In hoger beroep voerde betrokkene aan dat hij als biologische vader recht heeft op kinderbijslag, terwijl de Svb alleen het oordeel over de boete aanvocht. Uiteindelijk trok de Svb het hoger beroep tegen de boete in vanwege persoonlijke omstandigheden van betrokkene.
De Raad bevestigt dat betrokkene niet heeft aangetoond dat hij de vereiste bijdrage leverde en dat de Svb het beleid omtrent terugvordering consistent heeft toegepast. De uithuisplaatsing had betrokkene moeten melden, en het ontbreken daarvan rechtvaardigt de herziening. Dringende redenen om terugvordering te voorkomen zijn niet gebleken. De boete blijft gehandhaafd op € 52,-. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van kinderbijslag met boete blijft gehandhaafd.