Uitspraak
19 juli 2012, 11/2241 (aangevallen uitspraak).
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft het hoger beroep van een werkgever tegen het besluit van het UWV om de periode van een loonsanctie niet te verkorten. Het UWV had de loonsanctie opgelegd omdat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht tijdens de ziekteperiode van een werknemer.
De rechtbank had het beroep van de werkgever ongegrond verklaard. In hoger beroep stelt de werkgever dat zij geen invloed had op de beperkingen van de werknemer en dat de werknemer meerdere functies binnen het bedrijf heeft geprobeerd zonder succes. Tevens wijst zij op de vaststelling van 100% arbeidsongeschiktheid van de werknemer per 1 april 2012.
De Raad oordeelt dat het geschil zich beperkt tot de vraag of het UWV terecht heeft geweigerd de loonsanctie te verkorten. De Raad gaat uit van de juistheid van de oorspronkelijke loonsanctie en bevestigt dat de werkgever de tekortkomingen in haar re-integratie-inspanningen niet heeft hersteld, zoals blijkt uit rapporten van arbeidsdeskundigen.
De Raad wijst erop dat de latere vaststelling van volledige arbeidsongeschiktheid niet betekent dat de werkgever in de relevante periode voldoende inspanningen heeft geleverd. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en de proceskostenvergoeding wordt niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht heeft geweigerd de loonsanctie te verkorten wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen van de werkgever.