ECLI:NL:CRVB:2014:756
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens overschrijding vermogensgrens door onroerend goed in het buitenland
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB, maar het college trok deze bijstand in en vorderde terug wegens overschrijding van de vermogensgrens door bezit van een woning in Rusland.
Appellante voerde aan dat de waarde van de woning moest worden vastgesteld op basis van een lagere officiële inventarisatiewaarde en dat de woning bewoond werd door familieleden, waardoor zij niet over de woning kon beschikken. Tevens stelde zij dat de woning onder de vrijstelling van artikel 50, eerste lid, WWB viel.
De Raad oordeelde dat appellante eigenaar was en redelijkerwijs over het onroerend goed kon beschikken. De waarde moest worden bepaald op de economische marktwaarde, niet op de lagere inventarisatiewaarde. De woning werd niet bewoond door het gezin in de zin van de WWB, zodat de vrijstelling niet van toepassing was.
Daarom is het hoger beroep ongegrond en wordt het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstand wordt bevestigd.