ECLI:NL:CRVB:2014:758
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende woon- en leefsituatiegegevens
Appellant diende op 6 juni 2011 een aanvraag in voor bijstand op grond van de WWB, waarbij hij verklaarde een woning te huren op een specifiek adres. Het college verrichtte onderzoek, waaronder huisbezoeken en het opvragen van bankafschriften, maar trof appellant niet aan op het opgegeven adres. Een buitenlandse vrouw verklaarde dat zij recentelijk bij haar echtgenoot was komen wonen op dat adres en dat appellant af en toe aanwezig was. Appellant verscheen niet op een uitnodiging voor een gesprek en verstrekte onvoldoende nadere informatie over zijn woon- en leefsituatie.
Het college stelde de aanvraag buiten behandeling en wees het bezwaar ongegrond, omdat appellant niet voldeed aan zijn inlichtingenverplichting en er onduidelijkheid bestond over zijn verblijfadres. De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees het beroep af. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij eerder contact had gehad met het college, dat hij een huurrelatie had met het Oost-Europese echtpaar dat tijdelijk bij hem verbleef, en dat hij de brief van het college niet had ontvangen. Hij stelde dat het college hem onvoldoende gelegenheid had gegeven om de gevraagde gegevens te verstrekken.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde van zijn woon- en leefsituatie en dat hij niet voldeed aan zijn medewerkingsplicht. Hoewel het niet ontvangen van de brief niet aan appellant kon worden toegerekend, had hij tijdens de bezwaarprocedure voldoende gelegenheid gehad om nadere toelichting te geven. Het college had zijn onderzoekplicht niet geschonden. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de aanvraag en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellant wordt afgewezen wegens onvoldoende duidelijkheid over zijn woon- en leefsituatie en het niet nakomen van zijn inlichtingenverplichting.