ECLI:NL:CRVB:2014:814
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante viel sinds januari 2009 uit wegens voet- en moeheidsklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV wees deze af per 6 januari 2011 omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Appellante voerde aan dat haar beperkingen, waaronder post traumatische dystrofie, astma en moeheidsklachten, onvoldoende waren meegenomen in de beoordeling. Ook stelde zij dat het protocol voor chronisch vermoeidheidssyndroom niet was gevolgd en dat de voorgestelde functies medisch niet passend waren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de medische grondslag en de vastgestelde beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). In hoger beroep herhaalde appellante haar klachten en voerde aan dat de combinatie van klachten tot ernstiger beperkingen leidt. Zij overlegde een brief van een cognitief gedragstherapeut ter onderbouwing.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank op juiste gronden had vastgesteld dat de beperkingen niet verder reikten dan door het UWV aangenomen. De Raad vond dat de medische informatie, waaronder rapporten van revalidatiearts en huisarts, adequaat was meegenomen en dat de klachten zoals astma en moeheid voldoende waren beoordeeld. De stelling dat het UWV het communicatieprotocol niet juist toepaste werd verworpen. Ook was er geen twijfel over de medische geschiktheid voor de voorgestelde functies.
De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.