ECLI:NL:CRVB:2014:815
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.T. van den Corput
- J.S. van der Kolk
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting en terugvordering Wajong- en WAO-uitkering wegens anticumulatie
Appellant ontvangt sinds zijn 18e een arbeidsongeschiktheidsuitkering, eerst op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en later de Wajong, en daarnaast een WAO-uitkering sinds 1994. Vanaf 2008 kreeg hij een toeslag op zijn uitkering. Het UWV heeft in 2010 de anticumulatiebepalingen toegepast vanwege inkomsten uit een hoveniersbedrijf, waardoor uitkeringen over 2007 en 2008 werden verlaagd en te veel betaalde bedragen werden teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze kortingen en terugvordering ongegrond en wees het beroep tegen de toeslag af wegens niet-ontvankelijkheid. De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht de uitkeringen had verlaagd en dat appellant geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan toezeggingen van een arbeidsdeskundige, mede gelet op eerdere communicatie en kennis van anticumulatieregels.
In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe gronden aangevoerd, waardoor de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank bevestigt. De Raad benadrukt dat gerechtvaardigd vertrouwen alleen kan ontstaan bij ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke schriftelijke uitlatingen van het bestuursorgaan, wat hier niet is gebleken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.