ECLI:NL:CRVB:2014:82
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Brand
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- D.S. de Vries
- Rechtspraak.nl
Beoordeling huishoudelijke verzorging en voorliggende voorzieningen onder Wmo
Appellant vroeg op 6 april 2011 huishoudelijke verzorging aan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam kende hem 3,5 uur huishoudelijke verzorging per week toe, maar zag geen noodzaak om extra tijd toe te kennen voor het bereiden van maaltijden en het doen van boodschappen, omdat gebruik kan worden gemaakt van een maaltijdservice en een boodschappendienst.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college de omvang van de huishoudelijke verzorging op juiste wijze had vastgesteld op basis van de geldende beleidsregels en normtijden. De Raad verwierp het beroep van appellant dat hij vanwege allergieklachten recht zou hebben op meer tijd, omdat deze klachten niet aannemelijk waren gemaakt.
Verder bevestigde de Raad dat het uitgangspunt dat maaltijdservice en boodschappendienst als voorliggende voorzieningen gelden niet in strijd is met de Wmo, mits deze diensten beschikbaar zijn, financieel draagbaar zijn en adequate compensatie bieden. Appellant had onvoldoende onderbouwd dat hij deze diensten niet kon betalen. Daarom was het standpunt van het college terecht dat geen extra tijd voor maaltijden en boodschappen hoefde te worden toegekend.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beschikking van het college wordt bevestigd.