Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:892

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 maart 2014
Publicatiedatum
19 maart 2014
Zaaknummer
13-1914 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringenArt. 6 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging correcte vaststelling dagloon bij WIA-uitkering ondanks nabetaling na refertejaar

Appellante was in dienst bij twee werkgevers in de referteperiode en ontving na afloop een nabetaling van loon over een periode binnen het refertejaar. Het UWV stelde het dagloon vast op basis van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, waarbij geen rekening werd gehouden met deze nabetaling omdat niet was aangetoond dat het loon in het refertejaar vorderbaar maar niet inbaar was.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad overwoog dat artikel 2, vierde lid, van het Besluit alleen toepassing vindt indien de werknemer aantoont dat het loon in het refertejaar vorderbaar maar niet inbaar was, hetgeen hier niet het geval was omdat appellante nagelaten had de werkgever in het refertejaar te manen tot betaling.

Hoewel appellante stelde dat zij door medische redenen niet in staat was om de werkgever te manen, acht de Raad dit irrelevant omdat het Besluit geen ruimte biedt om achterstallig loon na het refertejaar mee te nemen. De Raad benadrukt dat het aan de wetgever is om eventuele onbedoelde effecten van deze systematiek te corrigeren.

Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vaststelling van het dagloon door het UWV wordt bevestigd.

Uitspraak

13/1914 WIA
Datum uitspraak: 19 maart 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2013, 12/1249 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D. Simons, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Simons. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN

1.
Appellante is van 7 april 2009 tot 1 mei 2009 in dienst geweest van de [naam vereniging]([naam vereniging]). Na 18 april 2009 heeft zij geen werkzaamheden meer voor [naam vereniging] verricht. Zij is vanaf 1 juni 2009 tot aan haar ziekmelding op 16 juni 2009 werkzaam geweest in dienst van de [naam stichting].
2.
Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 3 februari 2012 (bestreden besluit) vastgesteld dat voor appellante met ingang van 14 juni 2011 recht op een WGA-uitkering is ontstaan. Het dagloon op grond waarvan die WGA-uitkering wordt berekend heeft het Uwv met toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit) vastgesteld op € 20,85.
3.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
4.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het dagloon juist is vastgesteld. Volgens appellante is bij de berekening van het dagloon ten onrechte geen rekening gehouden met een nabetaling na de referteperiode door [naam vereniging] van loon waar zij in de referteperiode recht op had. Zij was tijdens de referteperiode op grond van medische redenen niet in staat om dit loon van [naam vereniging] te vorderen.
5.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
Voor een weergave van het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.
5.2.
Het gaat in dit geding om de vraag of artikel 2, vierde lid, van het Besluit moet worden toegepast, voor zover daarin is bepaald:
“Onder loon wordt mede begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden.”
5.3.
Uit de tekst van en de Nota van toelichting bij artikel 2, vierde lid, van het Besluit moet worden afgeleid dat de besluitgever toepassing van dit artikelonderdeel slechts aangewezen acht in situaties waarin duidelijk is geworden dat vorderbaar loon in het refertejaar ondanks vordering in dat jaar niet of niet geheel inbaar is gebleken. Het is aan de werknemer om aan te tonen dat hij op niet mis te verstane wijze de werkgever in het refertejaar heeft gemaand het (nog) vorderbare loon aan hem uit te keren.
5.4.
Niet in geschil is dat [naam vereniging] aan het einde van de maand april 2009 ten onrechte niet het volledige salaris over de periode van 7 tot en met 30 april 2009 aan appellante heeft betaald. Evenmin is in geschil dat appellante tijdens het refertejaar, dat in haar geval eindigde op
31 mei 2009, heeft nagelaten [naam vereniging] te manen om het nog vorderbare salaris over die periode aan haar uit te keren. Dit brengt met zich dat niet is gebleken van een loonvordering die in het refertejaar niet tevens inbaar was. Aan de voorwaarden om toepassing te geven aan artikel 2, vierde lid, van het Besluit is daarom niet voldaan.
5.5.
Of juist is dat appellante op medische gronden in het refertejaar niet in staat was om [naam vereniging] te manen het nog vorderbare salaris aan haar uit te keren, kan hier in het midden blijven. Het Besluit voorziet niet in de mogelijkheid om, zo daarvan sprake zou zijn geweest, rekening te houden met het achterstallige salaris dat appellante na het refertejaar nog van [naam vereniging] heeft ontvangen. Het is aan de wetgever om eventuele onredelijke en niet beoogde effecten van de in het Besluit neergelegde dagloonsystematiek teniet te doen.
5.6.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
6.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en
C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2014.
(getekend) G.A.J van den Hurk
(getekend) S. Aaliouli
IvR