Appellant was sinds 14 april 1992 ziek gemeld wegens rugklachten en verbleef sindsdien in Marokko. Het Uwv stelde aanvankelijk vast dat appellant geen recht had op een WAO-uitkering omdat hij niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was. Na bezwaar werd dit besluit herroepen en vastgesteld dat appellant vanaf 14 april 1993 geen recht had op WAO-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.
De rechtbank vernietigde dit besluit wegens een onjuiste medische grondslag, maar handhaafde de rechtsgevolgen van afwijzing van de aanvraag. De Raad stelde vast dat het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde onafhankelijke verzekeringsarts Knepper zorgvuldig en consistent was. Knepper concludeerde dat appellant, ondanks rug- en schouderklachten, fysiek lichte functies kon vervullen per april 1993 en dat psychische klachten pas na die datum waren ontstaan.
De Raad oordeelde dat het rechtsgevolg van het bestreden besluit (buiten aanmerking laten van aanspraak op grond van artikel 30a WAO) wezenlijk verschilt van het door de rechtbank gehandhaafde rechtsgevolg (afwijzing aanvraag). Daarom vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevochten en bepaalde dat voor appellant geen recht op WAO-uitkering is ontstaan vanaf 14 april 1993. Het verzoek om wettelijke rente werd afgewezen en het Uwv werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.