ECLI:NL:CRVB:2014:904
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken machtiging gemachtigde
Appellant verzocht bijzondere bijstand via een juridisch medewerker die geen advocaat is. Het college vroeg om een schriftelijke machtiging om deze gemachtigde te erkennen. Appellant kreeg meerdere termijnen om deze machtiging te overleggen, maar deed dit niet.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een machtiging, omdat de gemachtigde niet als belanghebbende kon worden aangemerkt en het beroep niet gericht was tegen een besluit in de zin van de Awb.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het college onredelijk was in het verlangen van een machtiging en dat hij onvoldoende gelegenheid had gekregen om het verzuim te herstellen. De Raad verwierp deze gronden, benadrukte dat de gemachtigde geen advocaat was en dat appellant voldoende tijd had gekregen om de machtiging te overleggen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een schriftelijke machtiging voor de gemachtigde.