ECLI:NL:CRVB:2014:909
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering inkomensvoorziening op grond van Wet investeren in jongeren wegens onvoldoende financiële verantwoording
Appellant, die in 2005 bij een verkeersongeval gewond raakte en in 2009 een schadevergoeding ontving, vroeg in 2011 een werkleeraanbod en inkomensvoorziening aan op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ). Het college van burgemeester en wethouders van Venlo stelde de aanvraag buiten behandeling en weigerde vervolgens de voorziening omdat appellant onvoldoende inzicht gaf in de besteding van de ontvangen schadevergoeding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant in de relevante periode niet beschikte over financiële middelen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij de uitgaven voldoende aannemelijk had gemaakt en dat medische klachten hem verhinderden een boekhouding bij te houden. Tevens stelde hij dat zijn gezinsleven door de weigering werd geschaad in strijd met artikel 8 EVRM Pro.
De Raad oordeelde dat de overgelegde bankafschriften slechts een beperkt deel van de uitgaven dekken en dat contante opnames en overboekingen aan de partner onvoldoende waren verantwoord. Medische stukken toonden geen hersenbeschadiging aan en konden het gebrek aan financiële verantwoording niet rechtvaardigen. De gedwongen verkoop van de woning viel buiten de te beoordelen periode en was niet relevant.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van inkomensvoorziening wegens onvoldoende aannemelijkheid van het ontbreken van financiële middelen.