In deze zaak stond centraal de vraag of appellant eigenaar was van een woning in Marokko, wat gevolgen had voor de rechtmatigheid van de bijstandsverlening. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) had een besluit genomen tot intrekking van de bijstand op grond van het vermoeden van eigendom van de woning. De Raad had eerder geoordeeld dat het onderzoek van de Svb onvoldoende was onderbouwd en had de Svb opgedragen nader onderzoek te verrichten.
De Svb liet een aanvullend onderzoek uitvoeren door het Internationaal Bureau Fraude Informatie en de Nederlandse ambassade in Rabat. Dit onderzoek leverde verklaringen op van lokale autoriteiten en buurtbewoners die het eigendom van appellant bevestigden. De Svb handhaafde daarop haar besluit.
Appellanten betwistten het eigendom en stelden dat de woning op naam stond van hun zoon, met bewijsstukken zoals energierekeningen en een verblijfsbewijs. De Raad oordeelde dat het nader onderzoek niet voldoende duidelijkheid bood over het eigendom en dat de Svb het gebrek in haar bewijsvoering niet had kunnen herstellen.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en het nader besluit, herroept het besluit tot intrekking van 5 oktober 2011 en verklaarde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens werd de Svb veroordeeld in de proceskosten van appellanten.