ECLI:NL:CRVB:2015:1004
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens ongeoorloofd verlof en weigering WW-uitkering bevestigd
Appellante was sinds november 2010 werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Na plichtsverzuim wegens ziekteverzuimregels en een ongeoorloofde vakantie in maart/april 2011, werd zij voorwaardelijk strafontslag opgelegd. In juli 2011 vroeg zij verlof aan voor een vakantieperiode, die door de werkgever werd afgewezen wegens ontoereikend verlofsaldo en beperking van de duur tot drieënhalve week. Ondanks deze afwijzing vertrok appellante toch op 25 juli 2011 naar Suriname en verscheen vanaf 18 augustus 2011 niet meer op het werk.
De werkgever stelde het ontslag wegens plichtsverzuim vast en legde dit op 15 september 2011 formeel vast. Het UWV weigerde de WW-uitkering op grond van verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat zij een toezegging had gekregen om in die periode op vakantie te gaan, maar zij kon dit niet aannemelijk maken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gedragingen van appellante een objectieve dringende reden vormden voor ontslag en dat het UWV terecht de WW-uitkering heeft geweigerd. Er was geen sprake van verminderde verwijtbaarheid. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt afgewezen en de weigering van de WW-uitkering bevestigd.