ECLI:NL:CRVB:2015:1031
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 6 april 2009 arbeidsongeschikt voor haar functie als administratief medewerkster. Het UWV stelde bij besluit van 6 mei 2011 vast dat zij niet recht had op een WIA-uitkering omdat zij niet onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt was geweest. Appellante voerde aan dat zij per 6 juli 2010 niet in staat was haar eigen werkzaamheden te verrichten en bracht een rapport van een onafhankelijke verzekeringsarts in.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het UWV voldoende zorgvuldig en gemotiveerd had vastgesteld dat appellante vanaf 6 juli 2010 haar werkzaamheden kon hervatten. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank. Diverse rapporten van verzekeringsartsen, waaronder die van het UWV en de verzekeringsarts bezwaar en beroep, toonden aan dat appellante vanaf genoemde datum haar werkzaamheden kon verrichten.
De Raad concludeerde dat het rapport van Kruithof onvoldoende bewijs leverde dat appellante de wachttijd van 104 weken arbeidsongeschiktheid had voltooid. Ook andere klachten konden het oordeel niet wijzigen. Daarom werd het hoger beroep verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.