ECLI:NL:CRVB:2015:1047
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering wegens geen toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant ontvangt sinds 12 januari 2006 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 15-25%. In 2011 meldde hij een toename van zijn arbeidsongeschiktheid, waarop het UWV besloot de uitkering ongewijzigd voort te zetten. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard omdat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) uit 2005 nog steeds geldig werd geacht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de allergische en psychische klachten niet in relevante mate waren toegenomen. In hoger beroep voerde appellant aan dat de klachten wel waren toegenomen, met name allergieën voor huisstofmijt en huisdieren, en dat de rechtbank onvoldoende waarde had gehecht aan het psychologisch rapport.
De Raad overwoog dat hoewel appellant ernstige allergische klachten heeft, deze niet zodanig zijn verergerd dat dit tot meer beperkingen leidt dan in 2005 was vastgesteld. Ook de psychische klachten zijn niet toegenomen volgens de medische rapporten en eigen onderzoek van het UWV. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na 2006 zoals bedoeld in artikel 39a, eerste lid, van de WAO. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De WAO-uitkering wordt ongewijzigd voortgezet omdat geen toename van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld.