ECLI:NL:CRVB:2015:1095
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WW-uitkering na onvoldoende urenopgave door zelfstandige
Appellant ontving vanaf 1 mei 2002 een WW-uitkering die in 2008 werd beëindigd. Het UWV trok de uitkering met ingang van 1 januari 2005 in omdat appellant niet had gemeld dat hij volledig als zelfstandige werkte. Na een onderzoek naar gebrekkige informatievoorziening aan zelfstandigen startte het UWV een project herbeoordeling ZZP-dossiers, waarbij appellant verzocht om herziening van het intrekkingsbesluit.
De toetsingscommissie concludeerde dat appellant onvoldoende uren had verantwoord en dat er geen sprake was van onjuiste voorlichting over de opgave van indirecte uren. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het begunstigende beleid niet op hem van toepassing was.
In hoger beroep stelde appellant dat hij slechts vijf directe uren had opgegeven op advies van een casemanager en dat hij niet was geïnformeerd over indirecte uren. De Raad hoorde de casemanager als getuige, die bevestigde dat appellant was geïnformeerd over het opgeven van zowel directe als indirecte uren.
De Raad concludeerde dat appellant geen vertrouwen kon ontlenen aan een onjuiste invulling van de werkbriefjes en dat het UWV niet in strijd met het beleid had gehandeld. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WW-uitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.