ECLI:NL:CRVB:2015:1170
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag AWBZ-indicatie wegens voorliggende GGZ-behandeling
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een indicatie voor zorg op grond van de AWBZ, welke door het CIZ is afgewezen. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat vervolgens ongegrond werd verklaard. De voorzieningenrechter bevestigde dit oordeel, waarbij werd vastgesteld dat de GGZ-behandeling van appellant als een voorliggende voorziening geldt en dat appellant geen aanvullende medische gegevens heeft overgelegd die een noodzaak voor extra AWBZ-zorg aantonen.
Appellant voerde aan dat zijn psychische klachten sinds 2005 verergerd zijn en dat hij aanvullende begeleiding nodig heeft. Hij verwees naar verklaringen van behandelaars en een rapport van een psycholoog waarin professionele begeleiding werd aanbevolen. Tijdens de zitting werd echter erkend dat er geen oordeel meer werd gevraagd over persoonlijke verzorging.
De Raad concludeert dat gedurende de beoordelingsperiode (5 april 2013 tot 19 augustus 2013) de behandeling bij Altrecht, gefinancierd via de Zorgverzekeringswet, terecht als voorliggende voorziening is aangemerkt. Het ontbreken van een machtiging verhinderde het CIZ om aanvullende informatie bij behandelaars in te winnen. Gezien deze omstandigheden faalt het beroep en wordt het bestreden besluit bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor een AWBZ-indicatie wegens het bestaan van een voorliggende GGZ-behandeling en het ontbreken van aanvullende medische gegevens.