ECLI:NL:CRVB:2015:1265
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering toeslag op grond van de Toeslagenwet ondanks psychische gesteldheid appellant
Appellant ontving vanaf 24 maart 2010 een toeslag op grond van de Toeslagenwet, die later door het UWV met terugwerkende kracht werd herzien en teruggevorderd wegens onverschuldigde betaling. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het voor appellant redelijkerwijs duidelijk was dat hij te veel toeslag ontving.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn psychische gesteldheid hem verhinderde het te hoge bedrag te herkennen en dat terugvordering onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen zou hebben. De Raad oordeelde dat artikel 4:95 lid 4 Awb Pro niet van toepassing is op terugvordering van voorschotten op toeslagen na 1 juli 2009 en dat het UWV verplicht was tot terugvordering.
De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat appellant redelijkerwijs kon begrijpen dat hij te veel toeslag ontving, mede gelet op het verschil van circa € 1.000 per maand. Het psychologisch rapport bood geen aanwijzing dat appellant niet in staat was dit verschil te herkennen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot terugvordering van de toeslag bevestigd.