ECLI:NL:CRVB:2015:1279
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens ontbreken dringende redenen
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) vanaf mei 2009. Het college heeft de bijstand verlaagd en later ingetrokken, zonder dat appellant bezwaar maakte. Vervolgens heeft het college een bedrag van €9.574,70 teruggevorderd voor ten onrechte ontvangen bijstand over de periode december 2009 tot juli 2010.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze terugvordering ongegrond, omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. In hoger beroep handhaaft appellant zijn stelling dat hij zijn bedrijf moest staken door het handelen van het college, maar slaagt er niet in dit te onderbouwen.
De Raad overweegt dat het college alleen bij dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering afziet, wat betekent dat terugvordering tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties moet leiden. Appellant heeft deze gevolgen niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast kunnen bezwaren tegen het dwangbevel en derdenbeslag niet in hoger beroep worden behandeld omdat deze buiten de reikwijdte van het geding vallen.
Daarom bevestigt de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €9.574,70 bijstand wegens het ontbreken van dringende redenen.