ECLI:NL:CRVB:2015:1321
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering persoonsgebonden budget wegens samenwoning zonder melding
Appellante ontving sinds 2008 een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke verzorging op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). In 2013 ontdekte het college dat haar zoon sinds 2009 op haar adres stond ingeschreven, zonder dat appellante dit had gemeld. Het college trok daarop het pgb per 16 oktober 2009 in en vorderde het bedrag van € 9587,20 terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het college terecht aannam dat de inwonende zoon de gebruikelijke zorg verleende, waardoor het recht op pgb verviel. Appellante voerde aan dat zij niet wist dat zij melding moest maken van de samenwoning en dat het college onvoldoende rekening hield met haar persoonlijke omstandigheden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. Het college was bevoegd en handelde redelijk bij het intrekken en terugvorderen van het pgb. Appellante was op de hoogte van haar meldingsplicht en had tijdig hulp moeten zoeken bij onduidelijkheid. De terugvordering leidt niet tot onaanvaardbare financiële gevolgen. Het belang van handhaving van de verplichtingen weegt zwaarder dan de persoonlijke omstandigheden van appellante.
Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van het pgb bevestigd.