ECLI:NL:CRVB:2015:1406
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over eerste arbeidsongeschiktheidsdag en mate van arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als bankmedewerker en viel op 31 maart 2010 volledig uit vanwege psychische klachten. Hij vroeg een WIA-uitkering aan, waarbij het UWV de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 31 maart 2010 stelde en een arbeidsongeschiktheid van 53% vaststelde. Na bezwaar werd dit percentage aangepast naar 66,04%, maar bleef binnen de klasse van 35 tot 80%.
Appellant stelde dat hij al eerder arbeidsongeschikt was (medische afzakker) en dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag eerder moest worden vastgesteld. Ook betwistte hij de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en de berekening van het dagloon. De rechtbank wees zijn beroep af, en ook in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel.
De Raad oordeelde dat het aantal gewerkte uren voorafgaand aan 31 maart 2010 niet significant was verminderd en dat appellant zich pas in februari 2010 bij PsyQ meldde zonder wezenlijke verandering in werkuren. De FML en de beperkingen daarin waren volgens de Raad juist vastgesteld en voldoende gemotiveerd. De berekening van het dagloon werd eveneens als correct beoordeeld.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de aangevallen uitspraak bevestigd en het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 31 maart 2010 ligt en wijst het hoger beroep van appellant af.